Er was een tijd dat het woord “bingo” associaties opriep met oude dametjes, buurthuizen, campings, sportkantines en andere gezelligheidsgelegenheden. Dat de inleg voor het opknappen van de klimrekken was bestemd, voor het schilderen van de kleedkamers of voor het uitje met de buurtvereniging. En de prijzen welwillend ter beschikking werden gesteld door de plaatselijke middenstand. Zo kon het gebeuren dat je met een diepvrieskip thuiskwam die meteen de volgende dag moest worden klaargemaakt, want jullie hadden geen vriezer thuis.
Die bingo’s bestaan nog altijd, maar daarnaast heeft zich een bingowereld ontwikkeld waarvan je met je oren staat te klapperen. Niks mis met die diepvrieskip, maar er gaan nu geldprijzen om waar je “u” tegen zegt. En leuke weekendjes weg, en reisjes… Bingo is volwassen geworden, zou je kunnen zeggen.
Bingo is ontstaan in Italië, waar rond 1530 een loterij werd gespeeld die nu nog steeds elke zaterdag in Italië wordt gehouden. In de late 1770’s werd het spel in Frankrijk geïntroduceerd waar het door de rijken werd gespeeld. In 1929 bereikte het spel de Verenigde Staten, onder de naam “beano” want de nummers op de kaarten werden met bonen (beans) afgedekt. Toen iemand in zijn enthousiasme in plaats van “beano” “bingo” riep, besloot de exploitant van het spel, Edwin S. Lowe, speelgoedhandelaar, het spel voortaan bingo te noemen. Het werd vooral gespeeld tijdens jaarmarkten en kermissen en dergelijke.
De speelgoedhandelaar huurde een wiskundeprofessor in om meer combinaties op de cijferkaarten te maken. Een jaar later had deze professor 6000 combinaties ontworpen – en werd daarna gek, wil het verhaal. Een katholieke priester benaderde Lowe om het spel ook te mogen spelen, om geld in te zamelen voor de kerk. Sindsdien is het spel razend populair in de Verenigde Staten. Elke week wordt er daar meer dan 90 miljoen aan besteed, en niet alleen in kerken.